Lopend onderzoek - Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking

Casestudies hulp, handel en investeringen

Deze evaluatie valt onder beleidsartikel 1 van de BHOS-begroting – Duurzame handel en investeringen.

In de beleidsnota 'Wat de wereld verdient: een nieuwe agenda voor hulp, handel en investeringen', gepubliceerd in april 2013, werd het nieuwe beleid voor buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking uiteengezet. Om de ontwikkelingen in de wereld het hoofd te bieden en de veranderende relaties met partnerlanden vorm te geven, werden drie centrale doelstellingen geformuleerd: armoedebestrijding, duurzame groei wereldwijd en succes voor Nederlandse bedrijven in het buitenland. Acht partnerlanden werden geïdentificeerd als overgangslanden waarmee de relatie zowel op hulp als op handel gebaseerd zou zijn. ‘Wat de Wereld verdient’ heeft niet aangegeven hoe de integratie van hulp, handel en investeringen vorm moet krijgen, noch hoe dit moet leiden tot synergie tussen de beschikbare instrumenten.

Deze studie richt zich op de manier waarop het beleidsproces van de integratie van hulp, handel en investeringen en de overgang van hulp naar handel in de praktijk is verlopen in drie partnerlanden: Bangladesh, Ethiopië en Kenia. Als zodanig zal het onderzoek deel uitmaken van de bredere beleidsevaluatie in 2020. Het kijkt niet naar de effectiviteit en impact van de hulp-, handels- en investeringsagenda, maar voorziet in een beleidsreconstructie en beschouwt de synergie en samenhang in het beleid in deze drie partnerlanden. De verwachte afronding is najaar 2019.

Effectevaluatie Economische diplomatie

Deze evaluatie valt onder beleidsartikel 1 van de BHOS-begroting – Duurzame handel en investeringen.

Economische diplomatie is een van de speerpunten van het huidige Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, maar is sinds de integratie van het Directoraat-Generaal Buitenlandse Economische Betrekkingen (DGBEB) binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken nog niet geëvalueerd. Deze evaluatie heeft tot doel het verkrijgen van inzicht in de effecten van interventies die in het kader van de economische diplomatie zijn (en worden) uitgevoerd, en beoogt vooral ook aan te sluiten bij de DGBEB-moderniseringsagenda en zodoende bij te dragen aan de leerfunctie.

Deze effectevaluatie richt zich op de volgende hoofdvraag: ‘Op welke wijze en in welke mate dragen de gehanteerde interventies van economisch diplomatieke aard bij aan versterking van de Nederlandse handelspositie?’

Hoewel de rechtvaardiging van overheidsinterventies op het gebied van economische diplomatie breed gedragen wordt, is er vooralsnog weinig bekend over de effecten van dit beleid. Hierdoor is het onduidelijk in hoeverre en op welke wijze economische diplomatie bijdraagt aan de doelstellingen van het Nederlandse buitenlands economisch beleid. Lessen uit deze evaluatie kunnen bijdragen aan de doelgerichtheid van het huidige en toekomstige beleid. Het onderzoek zal medio 2019 worden afgerond.

Evaluatie van het Nederlandse IMVO-beleid

Deze evaluatie valt onder beleidsartikel 1 van de BHOS-begroting – Duurzame handel en investeringen.

Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) is een belangrijk speerpunt in de hulp- en handelsagenda. Centraal in deze evaluatie staat de vraag of het IMVO-beleid heeft geleid tot concrete resultaten en welke lessen we kunnen formuleren voor toekomstig beleid. De evaluatie richt zich op vijf pijlers van het beleid: 1) sectorconvenanten; 2) kaders voor het bedrijfsleveninstrumentarium, 3) kaders voor inkoop door de overheid; 4) activiteiten van ambassades; en 5) internationale samenwerking en wetgeving. De evaluatie toetst de veronderstelling dat deze activiteiten bijdragen aan betere due diligence door Nederlandse bedrijven conform de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en daarmee aan het terugdringen van risico’s in hun wereldwijde productieketens.

Naast de effectiviteitsvraag komen ook andere evaluatievragen in deze lerende evaluatie aan de orde. Zo wordt bezien hoe de resultaten zich verhouden tot de inspanningen (doelmatigheid), of en in hoeverre de pijlers elkaar versterken (coherentie) en hoe relevant en additioneel het IMVO-beleid is. Het onderzoek omvat naast deskresearch gesprekken met betrokkenen in Nederland, maar ook met partijen daarbuiten. In totaal zijn vier landenstudies – Bangladesh, Colombia, Ethiopië en India – uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in lokale omstandigheden en effecten van beleid ter plekke. Daarnaast zijn er deelstudies uitgevoerd naar de toepassing van IMVO-kaders in private-sector instrumenten, de rol van de Nederlandse overheid in internationale initiatieven en supranationale instanties en het inkoopbeleid van de overheid. Naar verwachting wordt het evaluatierapport vóór de zomer van 2019 opgeleverd, na een consultatie van belanghebbenden.

Evaluatie van het Nederlandse Nationaal Contactpunt (NCP) OESO-richtlijnen

Deze evaluatie valt onder beleidsartikel 1 van de BHOS-begroting – Duurzame handel en investeringen.

Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) is een speerpunt in de hulp- en handelsagenda. Het onafhankelijke Nederlandse Nationaal Contactpunt (NCP) OESO-Richtlijnen is een belangrijk instrument om IMVO van Nederlandse bedrijven te stimuleren. Centraal in deze evaluatie staat het functioneren van het Nederlandse NCP; hoe effectief is het geweest in het vervullen van de twee belangrijkste taken, namelijk 1) de bewustwording van de OESO-richtlijnen vergroten onder bedrijven, vakbonden en niet-gouvernementele organisaties, en 2) bemiddeling bij specifieke klachten over vermeende niet-naleving van de OESO-richtlijnen door Nederlandse bedrijven? De evaluatie beziet ook andere aspecten van het takenpakket van het Nederlandse NCP, zoals de rol in IMVO-sectorconvenanten en onderzoek van sectorspecifieke risico’s.

De evaluatie beoordeelt behaalde resultaten, hoe deze worden gewaardeerd door stakeholders, en de beschikbare capaciteit, en formuleert lessen voor het toekomstig functioneren van het NCP.

Naast de effectiviteitsvraag van het functioneren van het Nederlandse NCP komen ook andere evaluatievragen aan de orde. Zo wordt bezien hoe relevant het mandaat van het Nederlandse NCP is in het stimuleren van IMVO, hoe doelmatig en tijdig de klachtprocedures zijn en of de institutionele inrichting het NCP het toestaat effectief en onafhankelijk te handelen. Het onderzoek omvat jurisprudentieonderzoek, cases-onderzoek van vier specifieke klachten, gesprekken met verschillende betrokken partijen en een survey onder ngo’s en vakbonden. Omdat deze evaluatie qua beleidsdoelen samenhangt met de parallel lopende evaluatie van het bredere IMVO-beleid, worden beide rapporten gelijktijdig gepubliceerd, naar verwachting vóór de zomer van 2019.

Evaluatie van het Wederopbouwfonds 2012-2015 en het Strategische Partnerschap Chronische Crises 2014-2016

Deze evaluatie valt onder beleidsartikel 4 van de BHOS-begroting – Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Het Wederopbouwfonds (2012-2015) en het Strategische Partnerschap in Chronische Crises programma (SPCC, 2014-2016) zijn instrumenten die zich richtten op het realiseren van de doelstellingen van één van de speerpunten van het Nederlandse ontwikkelingsbeleid: Veiligheid en Rechtsorde. Via deze twee instrumenten zijn voor meer dan € 150 miljoen 36 NGO projecten gesteund in 24 landen en regio’s. Beide instrumenten zijn de voorlopers van het huidige Addressing Root Causes (ARC) Fund.

De evaluatie richt zich zowel op het financieringsproces van de beide instrumenten als op de effecten van de projecten. Daarnaast neemt de evaluatie ook de tenderprocedure van het ARC Fund mee, om te identificeren in hoeverre de geleerde lessen van de beide instrumenten reeds zijn geïncorporeerd. De hoofdvraag van de evaluatie luidt: ‘In hoeverre hebben het Wederopbouwfonds en SPCC bijgedragen aan de voortgang op de doelstellingen van het speerpunt Veiligheid en Rechtsorde in de regio’s waar de projecten zijn geïmplementeerd?’

Om deze vraag te beantwoorden is een desk-studie uitgevoerd naar alle bestaande documentatie van de projecten en is reeds gesproken met de implementerende staf van alle organisaties en met de betrokken beleidsmedewerkers. Gezien de wisselende kwaliteit van de evaluaties van de projecten was echter verdiepend onderzoek nodig. Daarom is er veldonderzoek uitgevoerd binnen regio’s in landen waar relatief veel projecten van beide instrumenten geïmplementeerd zijn. Tevens is er een literatuuronderzoek uitgevoerd naar de effecten van overeenkomstige specifieke interventies in vergelijkbare landen. Het eindrapport wordt medio 2019 verwacht.

De geselecteerde regio’s voor veldonderzoek zijn:

  • Zuid-Soedan: Western Bahr el Ghazal
  • Zuid-Soedan: Central Equatoria
  • Ethiopië: Oromia
  • Ethiopië: Somali Region
  • Burundi: Cibitoke
  • Burundi: Bujumbura Rural