Afgerond onderzoek - Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking

Transitie en inclusieve ontwikkeling in Sub-Sahara Afrika | Een analyse van armoede en ongelijkheid

Doel van de IOB-studie over armoede en ongelijkheid in Sub-Sahara Afrika is voor een breder publiek de structurele achtergronden van de sociaaleconomische ontwikkeling in deze regio van Afrika te schetsen. Het rapport analyseert de oorzaken van de hoog blijvende armoede en noemt een aantal oplossingsrichtingen, primair voor de overheden zelf, maar ook voor donoren. De studie is gebaseerd op rapporten van internationale organisaties, academische literatuur, en landenevaluaties voor Burkina Faso, Ethiopië, Rwanda, Senegal, Tanzania en Uganda.

Hoofdbevindingen icoon

Hoofdbevindingen

  • De ontwikkeling in Sub-Sahara Afrika is nog weinig inclusief. Prognoses laten zien dat de wereldgemeenschap de doelstelling om in 2030 extreme armoede uitgebannen te hebben, voor Sub-Sahara Afrika niet zal realiseren. Datzelfde geldt voor de doelstelling om ongelijkheid binnen en tussen landen te verminderen. Jongeren, en vooral ook jonge vrouwen, behoren tot de groepen met de laagste inkomens en de grootste bestaansonzekerheid.
  • Oorzaken zijn: hoge armoedecijfers in de uitgangssituatie, een inkomen ver beneden de armoedegrens, een eenzijdige economische groei op basis van de export van grondstoffen en landbouwgewassen en een beperkte verwerkende industrie als gevolg van een gebrekkige economische infrastructuur en een laag opleidingsniveau. De dienstensector kent een duale structuur: hoogproductieve diensten als banken en verzekeringswezen worden steeds belangrijker, maar deze genereren weinig banen. De grootste toename van de werkgelegenheid komt van informele en laagproductieve diensten.
Lessen icoon

Lessen

Nederland heeft groot belang bij internationale veiligheid, stabiliteit en naleving van de relevante internationale verdragen. Blijvende Nederlandse betrokkenheid op de verschillende dossiers, hoe weerbarstig ook, blijft daarom essentieel. Internationaal wordt het belang van die betrokkenheid onderschreven. De thema’s die het Nederlandse beleid karakteriseren blijven ook in de huidige internationale context relevant.
Het blijft van belang dat Nederland internationaal blijft aandringen op:

  • De opgave om werk te vinden voor de 15-20 miljoen jongeren die zullen toetreden tot de arbeidsmarkt vraagt om een multisectorale strategie, waarin de volgende elementen centraal staan:
    • Verhoging van de productiviteit in de landbouw via gerichte ondersteuning van kleinere boeren, onder meer door verbetering van de toegang tot landbouwinputs en -gereedschappen, ondersteuning van mechanisatie, vraaggerichte training in achtergebleven gebieden;
    • Versterking van de infrastructuur in achtergebleven regio’s via investeringen in wegen, energievoorziening, water en sanitatie en (andere) publieke voorzieningen;
    • Stimulering van een arbeidsintensieve (agro)industrie via versterking van de transportinfrastructuur, de energievoorziening, de toegang tot kapitaal en de verbetering van aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt;
    • Investeringen in secundair en beroepsonderwijs om de transitie naar een productievere landbouw, industrie en productieve diensten te kunnen realiseren;
    • Seksuele voorlichting en een grotere beschikbaarheid van voorbehoedsmiddelen om de bevolkingsgroei af te remmen.
    • Investeringen in de basisgezondheidszorg voor de armste groepen;
    • Ondersteuning van cash transfer programma’s. Dit zijn op korte termijn effectieve instrumenten om armoede en ongelijkheid te verminderen.

Ontwikkeling en migratie | Literatuurstudie

In het Europese migratiebeleid en het nationale beleid van de EU-lidstaten neemt het beperken van de irreguliere migratie een belangrijke plaats in. Het gaat hierbij om mensen die zich in een ander land willen vestigen, zonder dat ze beschikken over de vereiste toestemming. Een van de beleidsinstrumenten is het via internationale samenwerking aanpakken van de grondoorzaken van deze migratie. Ook voor Nederland is dit een prioriteit. Het kabinet wil in de herkomst- en doorgangslanden investeren in economische ontwikkeling, veiligheid en de rechtsorde. Nederland kiest daarbij voor de focusregio’s West-Afrika/Sahel, de Hoorn van Afrika, het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Het kabinet trekt EUR 128 miljoen per jaar extra uit voor opvang in de regio, EUR 25 miljoen voor migratiesamenwerking en EUR 80 miljoen voor de aanpak van grondoorzaken van armoede, migratie, en terreur. Een deel van de extra middelen voor humanitaire hulp (EUR 162 miljoen per jaar) gaat naar de opvang van vluchtelingen.

Hoofdbevindingen icoon

Hoofdbevindingen

  • Onder invloed van globalisering en conflicten is de internationale migratie in de afgelopen jaren gestegen. Migranten kiezen daarbij steeds vaker voor rijke landen als bestemming. Deze laatste landen proberen de irreguliere migratie, de binnenkomst en vestiging zonder de vereiste papieren, te beperken.
  • De effectiviteit hiervan is afhankelijk van de mate waarin de maatregelen aansluiten bij de onderliggende grondoorzaken. Migratie komt vooral voort uit welvaarvaartsverschillen tussen landen. Tegelijkertijd blijkt dat met de ontwikkeling van een land de emigratie niet direct afneemt, maar aanvankelijk juist toeneemt. Dit effect is wel minder groot dan migratiedeskundigen soms willen doen geloven.
  • Naast welvaartsverschillen spelen bij irreguliere migratie ook andere factoren een rol. Dat zijn onder meer de gevolgen van conflicten, onderdrukking, verlies van inkomen en het gebrek aan perspectief in eigen land.
  • Ontwikkelingssamenwerking kan bijdragen aan het terugdringen van irreguliere migratie, maar verwacht er geen wonderen van. De middelen zijn beperkt in verhouding tot de omvang van de onderliggende grondoorzaken. Motieven van vluchtelingen en economi¬sche migranten overlappen vaak en het onderscheid tussen beide groepen is daarmee ook diffuus.
Lessen icoon

Lessen

  • Voor het managen van migratie uit meer ontwik¬kelde landen is samenwerking op het terrein van handel en investeringen, in combinatie met afspraken over tijdelijke migratie en interne maatregelen het meest kansrijk.
  • In armere landen is ontwikkelingssamenwerking kosteneffectiever. In die context is bevordering van onderwijs en de ontwikkeling van arbeidsintensieve sectoren een verstandige optie.

Literatuurstudie onderwijs voor vluchtelingenkinderen en werkgelegenheid voor vluchtelingen-jongeren

Deze korte literatuurstudie beoogt handvatten te bieden om het beleid gericht op onderwijs voor vluchtelingenkinderen en werkgelegenheid voor vluchtelingen-jongeren vorm te geven in de MENA-regio en de Hoorn van Afrika. De basis voor het onderzoek zijn publiek toegankelijke Engelstalige evaluaties, wetenschappelijke en grijze literatuur. De studie is voorjaar 2018 afgerond.

Hoofdbevindingen icoon

Hoofdbevindingen

  • Het beschikbare onderzoeksmateriaal is kwalitatief onvoldoende om uitspraken te kunnen doen over wat werkt en welke specifieke interventies gesteund zouden moeten worden. De monitoring en evaluatie van toekomstige interventies moet worden verbeterd. Er is specifieke aandacht nodig voor gendervraagstukken.
  • Op basis van het beschikbare materiaal lijken de volgende initiatieven de meeste potentie te hebben:
    • Onderwijs: het trainen van leraren, verbeteren van de toegang tot onderwijs, zowel in de vluchtelingenkampen als in bestaande scholen, voorwaardelijke cash transfers, accreditatie en curriculumhervorming (met name t.a.v. de taal van lesgeven).
    • Werkgelegenheid: het bieden van een langetermijnperspectief dat verschillende activiteiten combineert en aandacht schenkt aan de juridische beperkingen voor jongeren om in het opvangland te mogen werken.
  • Voor beide sectoren geldt: vermijd blauwdrukken, maak context-specifieke behoefteanalyses en een gedetailleerde inventarisatie van wat de verschillende partijen, zowel nationaal als internationaal, aan activiteiten ontplooien.

Monitoring and evaluating mainstreamed adaptation to climate change | A synthesis study on climate change in development cooperation

De wereldwijde klimaatverandering heeft onevenredig grote gevolgen voor mensen in ontwikkelingslanden. In het internationale klimaatakkoord van Parijs (2015) is afgesproken dat overheden en de private sector in ontwikkelde landen gezamenlijk 100 miljard dollar per jaar zullen investeren in klimaatadaptatie en -mitigatie in ontwikkelingslanden in de periode 2020 tot en met 2025. Hoe effectief zijn deze gezamenlijke investeringen in klimaatadaptatie en ontwikkeling? Om dit te kunnen achterhalen, zal de voortgang ten opzichte van de gestelde klimaatdoelen moeten worden gemonitord en geëvalueerd.

Deze synthesestudie belicht het ‘wat en hoe’ van het monitoren en evalueren van deze inspanningen aan de hand van concrete, praktische voorbeelden. Welk indicatoren zijn geschikt vanuit het adaptatieperspectief? Waarin verschillen deze van ‘gewone’ ontwikkelingsindicatoren? Wat zijn de voor- en nadelen van uiteenlopende evaluatiemethoden?

Hoofdbevindingen icoon

Hoofdbevindingen

  • Interventies gericht op klimaatadaptatie zijn effectiever als ze worden ingebed in bredere ontwikkelingsdoelen en –programma’s. Deze ‘mainstreaming’ dient twee doelen. Ten eerste kunnen grotere adaptatiewinsten worden bereikt, omdat de interventies niet eenmalig, kleinschalig en in isolement plaatsvinden. Ten tweede kunnen ook de gevolgen van toekomstige klimaatveranderingen beter worden meegenomen, zodat de bereikte ontwikkelingsresultaten hierdoor niet worden ondermijnd.
  • Het monitoren en evalueren van adaptatie-interventies kan helpen bij een goede mainstreaming. Als adaptatieprojecten niet goed doordacht zijn en niet al van tevoren kunnen steunen op een verandertheorie (theory of change) met de voornaamste onderliggende veronderstellingen, is het risico groot dat ze blijven steken in reguliere ontwikkelingsprojecten waarin klimaatadaptatie-onderdelen enkel fungeren als schaamlap. Dit betekent ook dat van tevoren duidelijk is wat de adaptatiedoelen zijn en welke indicatoren geschikt zijn om de specifieke adaptatie-onderdelen van het programma of project te kunnen monitoren.